Citytrip vooraankondigingen

Interview Filip Vanluchene n.a.v. Citytrip – juni 2007

In je stukken zit altijd een ‘kleine man’ die het slachtoffer wordt van ondernemersambitie. Is die ‘underdog’ voor jou in de eerste plaats sociaal van belang - als sociale kritiek - of verteltechnisch - als getuige?

Het ene sluit het andere niet uit. Ik schrijf hoe dan ook vanuit een onbehagen, een afkeer van al het kwade dat mensen elkaar aandoen. Het is telkens weer het verhaal van de onschuld die door het kwaad wordt vermoord. Het is misschien wel een sociaal engagement, niet uitsluitend in politieke of maatschappelijke zin, maar evengoed in persoonlijke. Zowel in de ethiek als in het theater staat de dialoog centraal.
Ik betwist wel dat mijn verhalen steeds verteld zouden worden vanuit het standpunt van de underdog, al kan ik niet ontkennen dat die figuur mijn sympathie meekrijgt. ‘La compassion, c’est la mère de la passion.’ Integendeel, ik verander voortdurend van vertelstandpunt en probeer daarmee zoveel mogelijk het onderwerp vanuit alle hoeken te bekijken. Dat is vaak verwarrend voor de toeschouwer. Maar het is de bedoeling om, naarmate het verhaal vordert, de interne logica van al die verschillende standpunten met elkaar te confronteren. De puinhoop die aan het einde overblijft, is geen afsluiting.


Citytrip doet denken aan de affaire Lernout & Hauspie. Ondernemerschap blijkt in je stukken steevast uit te draaien op een catastrofe.

Planten en dieren ondernemen niet. Koeien richten geen vakbonden op, goudvissen betogen niet, mussen bouwen geen kathedralen. Ondernemen is onze menselijke conditie, de bron van alle heil en onheil in de geschiedenis van alle beschavingen. Het begint bij het samen stoken van een vuur in een grot om het mammoetvlees te roosteren en het gaat verder met de piramide van Gizeh, de bibliotheek van Alexandrië, de Chinese muur, de David van Michelangelo,  de landing op de maan. Maar evengoed Shabra en Shattila, Buchenwald, de inquisitie, de moord op de onnozele kinderen... ‘Et j’en passe’, zouden de Fransen zeggen.
Maar ondernemen doet ook nonkel Erik, als hij dan toch trouwt met Rosse Rita, bloedmooi maar van licht allooi, en ook Kerim Achrab die al zijn spaargeld in de overname van een pitabar in Roubaix heeft gestoken.
Mirakelstory’s en selfmade men, daar vergapen wij ons aan. Ik ben geboren op de dag dat Briek Schotte wereldkampioen op de weg werd in Moorsele. De dag dat het West-Vlaamse patattenproletariaat massaal de zwaartekracht ontsteeg. De dag die hier te lande duizend jaar duurde. Mijn vader wou mij terstond Briek noemen. Mijn moeder heeft hem ingetoomd. De anekdotiek van de West-Vlaamse ondernemersdrift is de biotoop van mijn jeugd geweest. Mijn Berlin, Alexanderplatz. Een lokale anekdotiek die exemplarisch kan worden. Ik kies mijn voorbeelden niet lukraak: Arlecchino (de centrale figuur van de Italiaanse komedie) is geboren in Bergamo. De stukken van Martin McDonagh zijn schatplichtig aan de meedogenloze hongersnood in Ierland in de negentiende eeuw. Rainer Werner Fassbinder heeft zijn boodschap opgebouwd op het puin van het nazisme. Ik bedoel, er bestaat godzijdank geen neutrale achtergrond, zelfs niet bij Samuel Beckett.
Ik hoop dat ik erin slaag om de karikatuur van mijn jeugdbiotoop te overstijgen. In Citytrip is de echo van het Lernout & Hauspie-debacle zeker aanwezig, ik kon er onmogelijk omheen. Maar het was alleszins niet de bedoeling om stil te staan bij dit ‘spectaculaire detail in de geschiedenis’.


Met Citytrip breng je een satire op een Vlaamse versie van de ‘geglobaliseerde wereld’.

Ik kan mijn lach niet inhouden als ik de burgemeester van Lanterfantegem puffend en zwetend hoor verklaren: ‘We moeten onze gemeente op de kaart zetten!’ En meteen geeft hij dan het startschot van een  wereldrecordpoging radijzen pellen. De foto van het startschot staat luttele uren later op internet. Voilà, Lanterfantegem staat op de wereldkaart, we gaan er een op drinken.
Het wordt bijna obsceen als ook ministers stukken van hun budget investeren in die idiote logica. Jurken subsidiëren voor de Eurovisie-etalage, dure exposure kopen in achterhaalde festivals. ‘We moeten onze culturele eigenheid vermarkten’, klinkt het op de executieve verdiepingen, ‘we moeten Vlaanderen op de kaart zetten.’ Van die hitsige vrijage tussen cultuur en marketing lig ik regelmatig wakker. Ik ben er niet gerust in.

Zou je kunnen zeggen dat Citytrip vanuit een cultuurpessimistisch standpunt geschreven is?

Ik heb mijn eerste laptop gekocht in 1989. Een Amstrad 8086. Toen wist nog bijna niemand  wat een laptop was. Het ding woog acht kilo en heeft een fortuin gekost. Het kon amper iets meer dan een toendertijdse schrijfmachine. Maar ik was begeesterd door ram en rom, bits en bytes en de hele binaire erfenis van Leibniz. Nu heb ik Citytrip volledig op een zakcomputertje geschreven. Op alle mogelijke plaatsen: treinen, hotelkamers, de duinen, de refter van IKEA, onze badkamer, de kerk van het Begijnhof van Kortrijk, ‘et j’en passe’.
De nieuwe technologie is fantastisch. Dat onze wereld in ijltempo een smeltkroes kan worden van ideeën, culturen, methodes, kleuren en inzichten is een onverhoopte droom. Dat economische voorspoed en tegenspoed elkaar world wide kunnen opheffen, dat had God zelf wellicht niet voor mogelijk gehouden.
Ik ben helemaal geen cultuurpessimist. Maar mijn tenen krullen als ik de schichtige opportunisten in gang zie schieten. West-Vlaamse ondernemerskinderen die spoedcursussen Chinees moeten volgen van hun pa. Mijn tenen krullen als ik in de ‘geglobaliseerde wereld’ net dezelfde automatismen ontwaar als in Lanterfantegem. En dan verzin ik een theatraal verhaal.
Is dat cultuurpessimisme? Volgens mij is dat gewoon broodnodige ironie om de logica van het opportunisme te ontmaskeren. ‘Hier sta ik en ik kan niet anders,’ zei Luther.


In je teksten gebruik je dialect, maar nooit ‘puur’ of ‘naturel’.  Zou je – ondanks dat proces van esthetisering – kunnen zeggen dat Filip Vanluchene aan 'erfgoedbewaring' doet?

Ik huiver bij het woord ‘erfgoedbewaring’. Ik zie daarbij Limburgse senioren in olijfgroene jekkers en  met tirolerhoedjes op hun hoofd, die de strooien daken van Bokrijk met water besprenkelen tijdens een hittegolf.
Ik heb jarenlang teksten van Dario Fo vertaald en bewerkt en hij schreef zogenaamd in het dialect. Welk dialect ? ‘Il mio linguaggio è il Veneto-Lombardo-Emilio-Piemontese’,zegt hij zelf. Alle dialecten van Noord-Italië tegelijk dus, waar hij zich ongegeneerd van bedient. Die dagelijkse spreektaal - met al haar kleuren en idiomen - leeft, is ad rem, reageert voortdurend op de actualiteit, heeft een eeuwenoude, eigenzinnige, rijke geschiedenis. En vooral: ze is per definitie subversief, zoals elk dialect.
Mijn allereerste echte theatertekst, Casanova (De Tijd, 1990), was in beeldrijk Algemeen Nederlands. Ik herinner mij nog de slapeloze nachten over de jij- of de gij-vorm. Naarmate de jaren en de teksten vorderden, kozen de replieken zelf hun woordenschat, kleur en ritme. Het werd een beetje een amalgaam. ‘Verkavelingsvlaams’, noemt een eminent Neerlandicus het, die zelf na twee pinten overschakelt op zijn Brussels moederdialect.
Dankzij onze complexe geschiedenis hebben we in Vlaanderen een ongelooflijk taallandschap. In sommige dorpen zijn de Spanjaarden in de zestiende eeuw voorbijgekomen, in andere niet. In sommige steden richtten de Sansculotten kampementen op, in andere niet. In Hondschoote hielden de geuzen lelijk huis, in Brugge niet. Die ontelbare details laten tot op vandaag hun sporen na in de spreektaal, de woordenschat, ja zelfs de grammatica. Het is een onuitputtelijke rijkdom.
Theatermakers zijn per definitie dieven. Ze eigenen zich gewetenloos alles toe wat in hun kraam past, niet in het minst hun belangrijkste munitie: de taal. Noem mij dus alstublieft nooit meer een erfgoedbewaarder. Erfgoedanarchist lijkt mij dichter bij de waarheid.

door Claire Swyzen, Filip Vanluchene